Menu

Jazzgeschiedenis les 9

 

De Cool Jazz (Cool Bop) wordt gezien als een reactie op de BeBop doordat het sterk extraverte karakter van de BeBop wordt omgezet in een introverte, op timbre gebaseerde wijze van spelen. Gedeeltelijk is het ook een voortzetting van de BeBop daar met de verworvenheden van de BeBop wordt gemusiceerd (met de nieuwe wijze van begeleiding van bas en drums en de vrijheid van soleren). De belangrijkste gangma­kers van de Cool waren Miles Davis en arrangeur/pianist Gil Evans met hun “Birth of the Cool”-project in 1949. Evans' arrangementen steunden niet op sterke swing, maar puur op de klankkleur, waarbij het gebruik van hoorn en tuba goed tot hun recht kwam. Hierbij was sprake van een invloed van de impressionisten uit de Klassieke muziek ( bijvoorbeeld Claude Debussy ). Al heeft het nonet van Miles Davis slechts één plaat voortgebracht, de invloed op latere Coolmuzikanten is immens geweest. Opmerkelijk is het dat soms enkel de plaatopna­mes voldoende zijn voor een enorme invloed op de Jazzgeschiedenis . Denk hierbij ook aan Armstrong’s studio-opnames en aan die van Parker en Gil­lespie.

Degene die de draad van de Cool oppakten waren o.a. pianist Lennie Tristano, trompettist Chet Baker en saxofonisten Gerry Mulligan en Stan Getz. Voor blazers hield de Cool een vibrato­loze toon in dat veel overeenkomsten vertoont met het vibratoloze geluid van tenorist Lester Young. Hiernaast is in de Cool Jazz nauwelijks sprake van dynamiek; als het ware zijn de ruwe kanten van de BeBop afgeschaafd. De Cool Jazz, die zich vanaf circa 1950 in New York ontwikkelde, sloeg enorm aan in de steden aan de westkust van de Verenigde Staten; vooral in Los Angeles met het centrum van de filmindustrie Hollywood. Alhier verkreeg de muziek een nagenoeg volstrekt blanke variant: de zogenaamde West Coast Jazz. De nummers van de West Coast Jazz zijn wat meer gezapig daar de muzikanten aan de westkust in weelde konden leven van hun studiobanen terwijl de Jazzmuzikanten in New York op dat moment grote problemen hadden het hoofd boven water te houden. De Cool Jazz kan als volgt ingedeeld worden:

1) Tristano-school: East Coast Cool Jazz (New York City)

2) West Coast Jazz (Mulligan, Baker)

3) Third Stream; de intellectuele tak van de Cool (Brubeck, Modern Jazz Quartet)

 

De blinde pianist Lennie Tristano (1919-1979 vormde een school rond zijn persoon samen met de muzikanten Lee Konitz (altsax), Warne Marsh (tenorsax) en gitarist Billy Bauer. Emotionele expressiviteit was taboe bij Tristano. Wat hem voor ogen stond was als het ware de fusie tussen de muziek van Young en die van J.S. Bach. Bas en drums kregen bij hem een zeer magere rol toebedeeld en dienden enkel ter accentloze begeleiding en het vasthouden van het tempo. Zelf paste hij grillig-geplaatste accenten en hoge tempi toe op Standards.

Naast Gerry Mulligan en Chet Baker is tenorist Stan Getz (1927-1991) een belangrijke vertegenwoordiger van de West Coast Jazz. Zijn lyrische speelstijl en opvallende toon op de tenorsax is zijn handelsmerk. Zijn samenwerking met Antonio Carlos Jobim resulteerde in het ontstaan van een Latijns-Amerikaanse Coolstijl: de bossa nova. Een alombekend nummer is ‘Girl from Ipanema’ oorspronkelijk uitgevoerd door Stan Getz met zang van Astrud Gilberto.

Third Stream: De Cool-muzikanten speelden uiterst gecontroleerd, introspectief, intellectueel en met weinig dyna­miek. Eigen­lijk was het geen echte directe reactie op de Bop, daar er al eerder een intel­lectuele stroming op gang was gekomen, die rechtstreeks putte uit de Europese traditie en vooral uit de Kamermu­ziek. Het concept Symfo­nische Jazz was al eerder uitgepro­beerd door Scott Joplin, Paul Whiteman, Benny Goodman en George Gershwin. Third Stream is de (mijns inziens mislukte) poging om Jazz en Klassieke muziek met elkaar te laten versmelten. Pianist John Lewis met zijn Modern Jazz Quartet {M.J.Q.: Milt Jackson(vibrafoon), Percy Heath(bas) en Connie Kay(drums)} is eveneens een representant van de Third Stream, daar hij zelfs ertoe overging de sonatevorm in Jazzcomposities op te nemen. Ook veel werk van Dave Brubeck en Paul Desmond kan tot de Third Stream gerekend worden daar pogingen worden ondernomen om wederom uitheemse cultuuruitingen in de Jazz op te nemen middels het spelen van een 9/8-maat ( Blue Rondo à la Turk ) en een 5/4-maat (Take Five).

HARD BOP (REGRESSION)

Een zwarte reactie op de Cool Jazz kon niet uitblijven en rond 1955 neemt de HARD BOP het roer over. De Hard Bop is muziek, waarbij wederom teruggegrepen wordt naar de Afro-Amerikaanse 'roots'. De nieuwe muziekvorm haakt in op de aloude zwarte kerkmuziek; op spirituals en gospels ( niet dat deze muziek in de zwarte Kerk ten gehore werd gebracht ), en op de muziek uit het zuiden; te weten Worksong en de Blues. Cool is introvert, Hard Bop is extraverte muziek. De Hard Bop werd wat later funky ( funky music ) genoemd; niet te verwarren met de moderne Funkmuziek. Representanten van de Hard Bop zijn o.a.: Horace Silver (piano), Art Blakey (drums), Julian 'Cannonball' Adderley (altsax) en Clifford Brown, Lee Morgan en Miles Davis (trompet) naast John Coltrane (tenor). Hierbij wordt die muziek in oogschouw genomen, die zij speelden geduren­de de periode 1955-1965.

T.o.v. Miles Davis neemt Clifford Brown (1930-1956) een aparte plaats in. Doordat hij bij een (tweede) auto-ongeluk om het leven kwam (1955) werd zijn carrière al in de knop gebroken. Was hij blijven leven dan had de trompetgeschiedenis een andere wending genomen en of dan Miles Davis de grote Jazzlegende was geworden, staat nog te bezien, daar Brown een fabelachtige techniek had met een sterk melodische aanpak.

Wederom kwamen de zwarte muzikanten in grotere mate voor zichzelf op en juist in deze Hard Bop-muziek konden ze een aanzienlijk deel van hun zwarte identiteit leggen. De overdadig geuite emotie die uit de Hard Bop spreekt is gelijk aan die van de zwarte kerkliederen. Inhoudelijk hebben de nummers niets van doen met de religie ondanks titels die duidelijk slaan op kerkelijke gebruiken ( titels als: 'The Preacher','The Sermon', 'Jubilation' en 'Moanin’ ). De zwarten gingen een rol spelen in de bewegingen voor burgerrechten ( The Civil Rights Movements ). Velen werden moslim en namen de daarbij behoren­de islamitische namen aan; zo noemde drummer Art Blakey zich Abdullah Ibn Buhania. Hiernaast gingen een groot aantal zwarte muzikan­ten ertoe over hun 'roots' in Afrika nader te bestuderen. Men kan stellen dat de Hard Bop de muziekvorm is die de verworvenheden van de Gospelmuziek en de Worksong koppelde aan een BeBop-begeleidings-spel. De harmonieën werden eenvoudiger en een duidelijker gebruik van het ritme ( voornamelijk een shuffle ) kwam nu naar voren.

Uiteindelijk was het niet Blakey of Silver die de grootste invloed hadden op de Jazz van de 50-er jaren, maar tenorist Sonny Rollins [ Theodore Walter Rollins (New York; 1930) ]. Rollins kwam onder invloed te staan van Coleman Hawkins ( en niet onder die van Lester Young!). Hij raakte bevriend met Monk en Bud Powell en kwam danig onder invloed te staan van Parker. Desondanks nam hij Parker’s stijl niet over. Begin 1954 zat Rollins bij Davis waarmee hij verschil­lende eigen composities op de plaat zette [ 'Oleo', 'Airegin' en 'Doxy' ]. Eind 1954 werd hij, na het afkicken van heroïne, wederom door Miles Davis gevraagd, maar hij sloeg dit aanbod af, waarop Davis de jonge tenorist John Coltrane uitnodigde. Rollins heeft op ritmisch gebied veel Caribi­sche invloed in zijn muziek laten gelden ( Calypso ).

Een zeer aparte plaats neemt tenorist / sopranist John Coltrane (1926-1967) in, die, net als Parker, een zeer grote schare navolgingen verkreeg. Coltrane speelde aanvankelijk bij Miles Davis en bij Monk. Vanaf de zestiger jaren had hij zijn eigen groepen en uiteindelijk een kwartet, dat opereerde als een organische eenheid; met McCoy Tyner op piano, Jimmy Garrison op bas en drummer Elvin Jones ( soms uitgebreid met altist, fluitist, basklarinettist Eric Dolphy ). In eerste instantie, in de tijd bij Monk, speelde hij 'Sheets of Sounds' ; dit zijn alle mogelijke toevoegingen en uitbreidingen op de akkoorden en akkoordsub­stituties, zonder dat deze laatste daadwer­kelijk ge­speeld worden. Men krijgt dan een "sproeiregen van noten" oftewel klank­velden. Bij John Coltrane's "Giant Steps"(1959) horen we de culminatie van het spelen van akkoordgebonden noten binnen een extreem ingewikkeld akkoorden­schema ( kort experiment dat snel weer verlaten werd ). Ook hij had problemen met een heroïneverslaving, maar net als Miles Davis paste hij de “Cold Turkey”-methode (dagenlang opgesloten met enkel water ) toe om af te kicken. Zijn invloed op moderne saxofonisten is niet te overschatten. In een spanne van zo’n elf jaar heeft hij ruim honderd Lp’s opgenomen en daarmee zijn onuitwisbare stempel gedrukt op de Jazzgeschiedenis.