Jazzgeschiedenis les 7
HET SWING TIJDPERK; DE BIG BAND-ERA
Tijdens het Chicago-tijdperk begint de platenindustrie tot bloei te komen; in 1926 is de plaatverkoop reeds gestegen tot 151 miljoen grammofoonplaten. Als gevolg van de crisis van oktober 1929 ( de Depressie; beurskrach, The Great Depression: 1929-1934 ) houdt de Chicago-Jazz op te bestaan. Waarschijnlijk omdat de mensen, die financieel zwaar getroffen zijn, groter vertier zoeken om hun misère te vergeten. Nu komen dan ook de grote Hollywood-klassieken omhoog zoals de speelfilm 'King Kong' en dient de Big Band-Era zich aan. Het grote publiek wilde nu dromerige, sentimentele musical-achtige muziek ( zie de dans-musicals van Ginger Rogers en Fred Astaire ).
Fletcher Henderson { bijnaam: 'smack' (1897-1952) } leidde een Big Band die gaandeweg steeds meer echte Jazz ging spelen. Gedeeltelijk wordt dit toegewezen aan de invloed van de twee aanwezige Jazzgrootheden; trompettist Louis Armstrong en tenorsaxofonist Coleman Hawkins ( bassax en tenorsax bij Fletcher Henderson ). Hendersons band verzorgde veel radio-uitzendingen vanuit de New Yorkse 'Roseland Ballroom'.
De arrangeur van Hendersons band was (clarinettist) Don Redman en hem komt de eer toe als eerste de koper- en rietsectie gesplitst te hebben. Op een gegeven moment werd Henderson gedwongen zelf arrangementen te schrijven en deze bleken stuk voor stuk uitmuntend te zijn. Een voorbeeld hiervan is 'Down South Camp Meeting' uit 1934; een nummer dat Henderson later verkocht heeft aan Benny Goodman, die er in de uitvoering met zijn Big Band beroemd door werd.
Bij Henderson’s orkest is nog geen sprake van een echte Big Band-bezetting: aanwezig waren namelijk: 3 saxen, 3 trompetten, 1 trombone, piano, banjo, bas, drums. Henderson was in feite de overgangsfiguur van New Orleans naar Swing.
De standaardbezetting van een Swing-Big Band: 5 saxen ( 2 alt, 2 tenor, 1 bariton) + dubbeling op clarinet en dwarsfluit, 3 – 5 trompetten , 3 – 5 trombones, ritmesectie: piano, bas, drums en eventueel gitaar.
Zeer veel Jazzgrootheden begonnen hun carrière bij Henderson zoals de tenoristen Coleman Hawkins, Lester Young, Ben Webster en Chu Berry en de trombonisten Benny Morton, J.C Higginbotham en Dickie Wells.
De saxofoon werd pas in de dertiger jaren net zo belangrijk als de trompet. De saxofoon werd in eerste instantie gezien als een novelty-instrument; als een circus-c.q. effectinstrument. Vooral Coleman Hawkins (1904-1969) heeft ervoor gezorgd dat de saxofoon een belangrijk instrument binnen de Jazz werd. Hawkins heeft zich via de BigBand-traditie van de jaren dertig ontwikkeld tot een grote solist. Hij heeft als eerste een solostem aan de saxofoon gegeven. Hij heeft ook geruime tijd in Nederland gespeeld ( met o.a. The Ramblers van Theo Uden Masman ) voordat hij in 1939 onder druk van de Duitse oorlogsdreiging weer terugging naar de V.S.. Beroemd is zijn vertolking van de ballad ‘Body & Soul’ uit 1939; hierin laat hij horen hoe goed hij kon soleren. Dit nummer werd direct bij zijn terugkeer in de V.S. opgenomen na een vijf jaar durend verblijf in Europa en bevestigde zijn status als solist. Hij was het ook die als eerste over akkoorden ging soleren. Armstrongs soli waren vaak nog parafrases van de melodie i.p.v. spelen op akkoordverwante noten plus toevoegingen c.q. uitbreidingen.
Vanaf de BeBop uit de 40-er jaren zagen jonge saxofonisten hem niet meer als rolmodel, maar ging hun interesse uit naar de vibratoloze stijl van tenorist Lester Young.
Na het succes van Fletcher Henderson kwamen zeer veel Big Bands naar voren; blank en zwart. Bijvoorbeeld de band van de kreupele zwarte drummer Chick Webb (1902-1939) met zang van de jonge Ella Fitzgerald. Zij speelden in de 'Savoy Ballroom' ( de enige plaats in New York waar (blank) wit én zwart werden toegelaten) en in de 'Cotton Club' in New York City [ Harlem ]. Chick Webb's Band was een gedisciplineerd orkest met goede solisten { trombonist Sandy Williams en trompettist Taft Jordan } en de bekwame arrangeur Edgar Sampson. Ella Fitzgerald (1918- 1996) heeft zich ontwikkeld tot een van de grootste Jazz-zangeressen. Zij heeft o.a. gezongen bij Count Basie en het trio van Oscar Peterson.
Over het algemeen was de situatie zodanig dat zwarte groepen in de nachtclubs speelden en de blanke groepen in de hotels en restaurants. Juist deze blanke bands werden gedwongen populaire tunes te vertolken, ondanks het aanwezige Jazztalent. Desondanks was ook veel werk van zwarte bands commercieel van aard. Echter, men kan zonder enige twijfel stellen dat toentertijd de echte Jazzplaten door de zwarte bands werden gemaakt.
Edward 'Duke' Ellington [1899-1974] ( pianist, arrangeur, bandleider ) vormt samen met zijn orkest een ondeelbare eenheid. Zijn orkest had een bijzonder klank te danken aan zijn karakteristieke arrangementen én zijn bijzondere keuze van muzikanten. Ellington schreef partijen met de specifieke vaardigheden van zijn bandleden in zijn hoofd; elke partij was de betreffende leden op het lijf geschreven. Als pianist was hij beïnvloed door Stride-pianisten (Harlem Stride) als James P. Johnson en Willie ‘The Lion’ Smith.
In de dertiger jaren maakte zijn muziek deel uit van de amusementsindustrie en speelde het orkest in de 'Cotton Club' in Harlem. De 'Cotton Club' werd gerund door leden van de maffia ('the Mob') en ten tijde van de drooglegging ( Prohibition tot 1933 ) was in dergelijke clubs voldoende sterke drank te verkrijgen. Alhier schreef Ellington muzikale omlijstingen bij exotische shows en paste hij als eerste zogenaamde 'Jungle effecten' [ Jungle Music ] toe met behulp van de trompet van Bubber Miley en de trombone van 'Tricky Sam' Joe Nanton ( 'growl'-effect m.b.v. plungers ). In deze club heeft Ellington zijn compositiestijl (als autodidact) ontwikkeld. Ellington verzorgde aanvankelijk ook veel radio-uitzendingen vanuit deze club. Ellington (en Armstrong) ondervonden geen hinder van The Great Depression ( 1929-1934 ) omdat in Ellington’s woorden: “Jazz is Music and Swing is business”. Ellington’s bassist Jimmy “The Bear’ Blanton introduceerde het meer melodische basspel, waarmee hij een brug sloeg tussen de Swing en de BeBop. Blanton is tevens de eerste die een microfoon voor de contrabas plaatste.
Pas in 1943 verkreeg Ellington in de Verenigde Staten een vergelijkbare status als in Europa toen hij grote concertwerken in doorgecomponeerde stijl ten doop hield ( bijvoorbeeld: 'Black, Brown & Beige Suite') in de Carnegie Hall in New York.
Veel grootheden speelden in Ellington’s band zoals altist Johnny 'The Rabbit' Hodges, baritonsaxofonist Harry Carney ( 47 jaar lang bij het orkest ! ), slagwerker Sonny Greer en de tenoristen Coleman ‘Bean’ Hawkins, Don Byas, en Ben ‘The Frog’ Webster. Alle drie laatstgenoemde muzikanten zijn regelmatig in Nederland geweest; Webster en Byas hebben zelfs enige tijd in Amsterdam gewoond. Ellington’s medecomponist en -arrangeur was Billy Strayhorn die vanaf 1939 tot aan zijn dood in 1967 onafscheidelijk verbonden is geweest met Ellington. De samenwerking tussen beide was zo hecht dat kenners het werk van beiden niet uit elkaar kunnen houden. De herkenningstune van het orkest ‘Take the A Train’ is geschreven door Strayhorn.
Ellington schreef meer dan 1000 composities en zo’n 1500 arrangementen in de periode van 1919 tot aan zijn dood in 1974.
De beste échte Swingband was zonder twijfel de Big band van Bill Count Basie [1904-1984] met een sterke ritmesectie bestaande uit: Basie (piano), Freddie Green (rhythm guitar), Walter Page (“Big Un”; double bass) en Jo Jones (drums). Tijdens Basies Kansas City-jaren ontwikkelde hij een spaarzame speelstijl, alhoewel hij het stride-idioom volledig beheerste. In 1936 ging Basie naar New York. Typerend voor de Basie-Big Band zijn de zogenaamde 'Head-arrangments' (spontaan ontstane, niet genoteerde arrangementen). Hiermee staat Basie in de speelpraktijk lijnrecht tegenover Duke Ellington; bij Ellington is er sprake van een Partituurstijl en bij Basie van een Riffstijl.
Een aparte plaats binnen de grote schare van zangeressen neemt Billie Holiday [1915-1959] ] in, met haar karakteristieke ijle stemgeluid. Grote faam verwierf zij in de periode 1935-1939 bij het orkest van pianist Teddy Wilson. Zij heeft tournees gemaakt met de Big bands van Count Basie en Artie Shaw. Haar gezondheid, jarenlang aangetast door overvloedig drank- en drugsgebruik, ging snel achteruit. In 1959 stierf zij, slechts enkele maanden na de dood van haar (platonische) vriend Lester Young ( 'The Prez' ), die haar lieflijk ‘Lady Day’ noemde.