Menu

Jazzgeschiedenis les 5

Tussen 1895 en 1910 ontstond een kader van New Orleans-muzikanten, die thuis waren in verscheidene muzikale stijlen, zoals Blues, Ragtime, marsen, populaire liederen en thema's van ouvertures en opera's.

In 1897 werden nagenoeg alle bordelen en bars van New Orleans samenge­bracht in één wijk, "Storyville" genaamd naar wethouder Joseph Story, maar door inwo­ners van de stad steevast 'the district' genoemd. Hier werd veel muziek gemaakt, maar voornamelijk door pianisten, 'professors' genaamd, die waren ingehuurd om het publiek te vermaken en in de juiste stemming te brengen. De blues was geliefd bij de prostituees, daar zij hierop dansten ('slow drags') teneinde klanten naar binnen te kunnen lokken.

Storyville wordt door vele geschiedschrijvers aangeduid als de omge­ving waar de vroege jazzbands werkten. Dit is echter inmiddels achter­haald. Storyville was een blanke wijk, waar prostitutie werd bedreven en waar slechts enkele zwarte pianisten werkten { veelal werd de mechanische piano, de pianola, toegepast }. Op het hoogtepunt van Storyville waren ten hoogste veertig professors werkzaam in ‘the district’.

Een nauwge­zette studie van Al Rose ["Storyville, New Orleans", 1974] toont aan dat er eigen­lijk geen één, maar twee "Storyvilles" beston­den. Het legendarische district was in feite opgesplitst in een blanke en een zwarte wijk. Er kon geen sprake zijn van het feit dat een blanke man contact zou hebben met een vrouw die ook haar diensten verleende aan zwarte mannen.

De zwarte wijk droeg geen naam en was gesitu­eerd in Uptown, op de grens tussen Up- en Downtown. Slechts enkele jazzpio­niers werkten in Storyville en dan nog slechts op het eind van haar bestaan. De echte jazz werd dus niet gevormd in Downtown, maar juist én slechts ten dele, in de zwarte ghetto's van Uptown, waar het gonsde van bordelen, clubs en danszalen. Hier werd Louis Armstrong grootge­bracht en leerde hij jazz spelen.

Rond 1915 waren vier typen bands actief in New Orleans:

 

  1. De bestbe­taal­de bands speelden een mengsel van populaire liedjes, ragtime, walsen en bestond uit muzikanten, voor het merendeel Creolen, wiens leesvaardig­heid op een hoog peil stond.
  2. Een tweede type was de Street Band ofwel Funeral band; juist deze band ging aloude nummers "verjazzen". Zij speelde marsen, populaire liedjes en 'plantation songs'. Ofschoon deze bands bij begrafenissen speelden, betraden zij nooit het kerkhof zelf. Er werd droevigklinkende muziek gespeeld op weg naar het kerkhof, maar vrolijke ná de begrafenisceremonie.
  3. Een derde soort bestond uit ongeschoolde muzikanten, die speelden in bordelen, bij tuinfeesten en picnics, en die veelal blues ten gehore brachten.
  4. Het vierde type New Orleans-band was die, waaruit zich rond 1910 de jazzband ontwikkelde. Deze had een vaste instru­mentatie: veelal twee cornetten, clarinet, trombone, gitaar, contrabas, viool en drums. De piano werd slechts bij optredens in nachtclubs toegevoegd.

 

De standaardbezetting van een New Orleans-band is: cornet (twee cornetten), clarinet, trombone, contrabas/tuba, banjo/gi­taar, drums. Uitgevoerde nummers: Blues, Rags, Songs. Gradueel vond de overgang plaats van 2/2 naar 4/4. De After Beat-benadrukking werd geïntroduceerd door drummer Warren "Baby" Dodds, de drummer van de King Oliver’s Creole Jazzband.

De live-uitvoeringen van de New Orleans-bands duurden vaak extreem lang, wel van ‘s avonds negen tot 's morgens vier uur en veel bands gebruikten dan ook twee cornettis­ten. In 1924 , na twee jaar lid te zijn geweest, verliet Louis Armstrong (1901-1970) King Oliver's Band en startte zijn eigen groepen. Collectieve improvisatie was gedoemd te verdwijnen toen de echte solis­ten opstonden. In 1924 ging hij ook naar New York om zich aan te sluiten bij de Big band van Fletcher Henderson ( waar ook saxofonist Coleman Hawkins deel van uitmaakte ).

In deze band werd duidelijk hoe fantastisch hij kon soleren ( perfecte frasering met inachtneming van de juiste plaats om te pauzeren ) gepaard gaande met allerlei effecten op zijn instrument als growls, vibrato’s en glissando’s en daarmee was hij een groot voorbeeld voor al zijn opvolgers op de trompet.

Armstrong heeft later grote naam gemaakt als zanger met zijn schorre stemgeluid ( It’s a Wonderful World, Hello Dolly ). Door veel jazzpuristen werd hij verguisd voor deze stap in de richting van het grote geld, terwijl hij één van de eerste grote jazzsolisten was. Zelf heeft hij zich nooit als kunstenaar gezien, maar enkel als entertainer, waardoor deze stap in de meer commerciële richting bij hem niet als een breuk met zijn artistieke verleden overkwam. Hij was ook de zanger die het scatten introduceerde ( “doordat tijdens de opname van ‘Heebie Jeebies’ de bladmuziek van zijn lessenaar viel” )

 

Jelly Roll” Morton (1885(6)-1941 ) { = Ferdinand Joseph Le Menthe } was volgens eigen zeggen de grondlegger van de Jazz, daar hij meer belang hechtte aan de improvisatie dan aan de compositie. Hij ging er toe over alle tellen van de 4/4-maat een gelijk gewicht geven. Zijn belangrijkste platen maakte hij met zijn Red Hot Peppers. Hij was een van de “Storyville-professors” tot 1907 toen hij New Orleans verliet om na veel omzwervingen neer te strijken in Chicago. Hij was verantwoordelijk voor de overgang in pianostijl van ragtime naar blues met meer vrijheid voor de linkerhand ten behoeve van de swing.

De New Orleans-stijl, in zijn pure vorm, overleefde de twinti­ger jaren niet. Toen Chicago en New York de centra van de Jazz werden was New Orleans totaal vergeten.

Een derde sleutelfiguur van de vroege Jazz is onmiskenbaar de autodidact Leon “Bix” Beiderbecke (1903-1931). Zijn cornetstijl kent lange frasen met gebonden noten en een onderkoeld geluid. Dit vormt een schakel tussen de New Orleans-Jazz en latere opvat­tingen. Hij werd vooral beïnvloed door Oliver en Armstrong en kwam in contact met de New Orle­ans Jazz middels de raderboten op de Mississippi-rivier. Met saxofo­nist Frank Trumbauer (bijnaam: 'Tram') werkte hij in het orkest van Jean Goldkette, waar ook trombonist Tommy Dorsey, altist Jimmy Dorsey en violist Joe Venutti deel van uitmaakten. Hij was lid van het 'Sweet Music'-orkest van Paul Whiteman tot hij in 1929 in een sanatorium opgenomen werd. Hij stierf ten gevolge van overmatige alcoholgebruik op 28-jarige leef­tijd. Beiderbecke was zeer gefrustreerd doordat hij niet in staat werd gesteld om met de betere zwarte muzikanten te kunnen werken. Raciaal gemengde bands waren in zijn tijd ‘not done’; pas Benny Goodman doorbrak dit taboe zo’n tien jaar later. Eigenlijk was Beiderbecke de enige die met Armstrong nagenoeg op gelijke voet stond wat de diepgang van hun improvisaties betrof.

De vroege Jazz oefende ook invloed uit op klassieke componisten als Igor Strawinsky, Maurice Ravel, Darius Milhaud en op de jonge Amerikaanse componist George Gershwin (1889-1937).

Het was het Jazzorkest van Paul Whiteman dat als eerste "Rhapsody in Blue" van George Gershwin in uit­voerde (Aeolian Hall, New York City, 1924).