Jazzgeschiedenis les 3
De dertiger jaren van de vorige eeuw worden ook wel aangeduid als de Big Band Era of de Swing Era. Inderdaad waren toen een groot aantal Big Bands actief. Maar van al deze Big Bands hebben slechts twee groepen daadwerkelijk de tand des tijds weerstaan. Dit waren de orkesten van William “Count” Basie (1904-1984) en die van Edward “Duke” Ellington (1899-1974). Na Count Basie’s dood werd deze band enige tijd voortgezet door diens saxofonist Frank Foster, maar aan het orkest van Duke Ellington kwam een eind bij zijn dood in 1974. Dit heeft alles te maken met het feit dat Ellington zeer originele composities schreef met de klankkleur en kunde van zijn muzikanten voor ogen, terwijl Count Basie zich juist baseerde op een stevig bandgeluid, een enorme drive en superswing. Freddie Greene speelde nagenoeg zijn hele leven rhythmgitaar bij de band van Count Basie zonder ooit een solo te spelen.
Gaandeweg namen blanke orkesten in de dertiger jaren wederom de verworvenheden van de zwarte muzikanten over en lieten dit volledig opgaan in de blanke amusements-industrie. Zo had het blanke orkest van Paul Whiteman enkele goede solisten onder zijn gelederen ( waaronder Bix Beiderbecke op trompet ), maar geïmproviseerd werd er niet tot nauwelijks meer. Of deze muziek dan nog Jazz genoemd kan worden is afhankelijk van hoe men Jazz omschrijft, maar naar mijn idee is en blijft improvisatie toch wel één van de grondslagen van de jazzmuziek. Bovendien breidde Whiteman ziin orkest uit met een grote strijkersectie. Het resultaat was mierenzoete muziek, die werd omschreven als ‘Sweet Music’ en die doet denken aan de muziek bij Laurel & Hardy-films. Inmiddels ging weer veel geld om in een muziekbusiness die door zwarte muzikanten geïnitieerd was, maar waar ze zelf financieel niets wijzer van werden.
Een reactie bleef echter niet uit: Zwarte muzikanten kwamen gaandeweg hiertegen in opstand en zij stonden voor een nieuwe ontwikkeling, die samengevat kan worden met de term “Back to the African Roots”, waarbij improvisatie weer hoog in het vaandel stond geschreven. De zwarte Jazzmuzikanten gingen na hun (geestdodende) reguliere jobs bij de grote commerciële orkesten steeds vaker nachtelijk bezoeken brengen aan achteraf-kroegen in Harlem (New York) alwaar Jamsessions werden gehouden. Daar ontstond langzamerhand de Be Bop-muziek, die gebaseerd was op vrij spel over (enigszins uitgebreide) akkoordenschema’s van bekende musicalnummers (‘standards’) en van de blues. Veelal werden mooi uitgevallen improvisatielijnen tot nieuwe hoofdmelodieën bestempeld en kreeg hierbij ook de standard een nieuwe titel ( zo heette Fats Waller’s “Honeysuckle Rose” voortaan “Scrapple from the Apple”). Belangrijke exponenten van de Be Bop-beweging zijn altist Charlie Parker (1920-1955) en trompettist Dizzy Gillespie (1917-1993), naast de extravagante pianist Thelonious Monk (1917-1982). In eerste instantie werden de nummers zeer snel (en soms juist zeer langzaam) uitgevoerd, om de blanke amusementsindustrie buiten de deur te houden daar de muziek daardoor niet echt dansbaar bleek. Het resultaat was dat veel Jazzliefhebbers hun heil gingen zoeken bij de reeds, rond 1940, naar voren gekomen New Orleans Revival. Dit was een stroming van puristen die enkel de New Orleans Jazz als de échte Jazz wilden zien en alle moderne ontwikkelingen als non-Jazz beschouwden. De term Dixieland deed toen pas opgang als de verzamelnaam van zwarte en blanke New Orleans Jazz én de blanke Chicago Jazz.
De sopraansaxofonist Sidney Bechet ( wegens het mildere sociale klimaat voor zwarten woonachtig in Parijs ) was de voorman van deze New Orleans Revival en hij heeft daarnaast de sopraansax onder de aandacht gebracht van latere grote namen onder de saxofonisten.
Door de speurtocht naar de African Roots kwam ook de Afrocubaanse muziek in het middelpunt van de belangstelling te staan. Waarschijnlijk heeft de pre-Jazz ook Afrocubaanse invloeden gekend door de inbreng van slaven die jarenlang op de Caribische eilanden geïnterneerd waren geweest alvorens naar New Orleans te worden getransporteerd, maar werden deze al gauw overvleugeld door de Angelsaksische muziekinvloed uit het noorden. Dizzy Gillespie kwam erachter dat een aantal Cubaanse bands ( bijvoorbeeld van Mario Bauza ) Jazz vermengden met hun Afrocubaanse muziek en dat bracht hem op het idee een eigen big band te starten, die de zogenaamde CuBop ging vertolken. Op de conga’s speelde de onnavolgbare Chano Pozo, de componist van het alombekende LatinJazz-nummer “Manteca”.
Na het hoogtepunt van de pure Be Bop rond 1947 werd deze stijl opgevolgd door de zogenaamde Cool Jazz of Cool Bop. Dit was een voortzetting van de Be Bop maar dan met mildere tempi, meer nadruk op een collectief geluid en bovendien vibratoloos spel op de sax en vooral op de trompet. Trompettist Miles Davis (1926-1992) in samenwerking met baritonsaxofonist Gerry Mulligan (1927-1996) en pianist/arrangeur Gil Evans (1912-1988) hebben aan de voet gestaan van deze ontwikkeling middels de opname van een aantal stukken met een nonet in 1949. Slechts kort heeft deze negenmans-formatie bestaan maar de opnamen hebben geschiedenis geschreven en zijn te boek komen te staan als “The Birth of the Cool”. Gaandeweg werd het centrum van de Cool Jazz verlegd naar de Westkust van de Verenigde Staten (tot verdriet van de New Yorkse Jazzmuzikanten) en daar ontstond de WestCoast Jazz, waarvan bijvoorbeeld Gerry Mulligan en trompettist Chet Baker deel van uitmaakten, die aan het begin van de vijftiger jaren furore maakten met hun pianoloze kwartet. Naast een ingehouden speelwijze kent de Cool Jazz ook een intellectuele ontwikkelingsgang, waaraan de pianisten Lennie Tristano en Dave Brubeck en het Modern Jazz Quartet een steentje hebben bijgedragen.
Als reactie op -en deels voortzetting van- de Cool Jazz ontstond in New York de Hard Bop waarbij werd teruggegrepen op eenvoudigere schema’s en vooral weer de kracht van de sound en de drive voorop stond. Een stuwend ritme was expliciet aanwezig en het shuffle-patroon werd veelvuldig toegepast. Een echte Hard Bop band is The Jazz Messengers van drummer Art Blakey, die in steeds wisselende personele bezetting, als springplank fungeerde voor de carrière van latere grote solisten als saxofonist Wayne Shorter en de trompettisten Freddie Hubbard en Wynton Marsalis.
In 1959 speelde Miles Davis met de idee om slechts weinig akkoorden in een nummer toe te passen en grote aantallen maten hetzelfde akkoord aan te houden. Bij een dan optredende akkoordwisseling is de overgang des te sterker en opvallender. Tevens wordt dan niet meer gesoleerd over snelle akkoordprogressies, maar juist over toonladders ( veelal aloude kerktoonladders, bijvoorbeeld d en es dorisch in het bekende nummer “So What” met John Coltrane (1926-1967) op tenor ). Op zich was dit niet echt nieuw daar bij de Country Blues op de gitaar ook pas een nieuw akkoord werd gespeeld als de (veelal lange) regel uitgezongen was. De zetting was natuurlijk wel innovatief en kan geheel op het conto van Miles Davis geschreven worden. Deze muziek wordt Modale Jazz genoemd. De stap van modale Jazz naar Free Jazz is niet groot….