Chromatiek In de ingewikkelde chromatiek van de laat-19e eeuwse romantische muziek (zwevende tonaliteit) zijn tonale relaties lang niet altijd duidelijk te herkennen. Dissonanten betekenden uiteindelijk niet langer tonale spanning die moest worden opgelost, maar waren bedoeld als een op zichzelf staand expressiemiddel, geëmancipeerd van de tonaliteit (atonaliteit). Tonen hadden zo alleen nog betrekking op elkaar (niet op een tonaal centrum), tonale relaties werden geneutraliseerd.
Muziekvoorbeeld: Arnold Sch�nberg (1874-1951) -Klavierst�ck opus 11 nr.1 (1908)
Eenheid van de muzikale ruimte In Schönbergs opvatting vindt atonale muziek plaats in een abstracte muzikale ruimte, waarin melodie en harmonie geen afzonderlijke elementen meer zijn, maar uitdrukkingen van eenzelfde idee of motief (in de vorm van een stel intervallen).
'In this space [�], there is no absolute down, no right or left, forward or backward. Every musical configuration, every movement of tones has to be comprehended primarily as a mutual relation of sounds, of oscillatory vibrations, appearing at different places and times.' (Schoenberg 1950, Style and idea, 223)
Doorwerkende variatie en muzikaal proza Schönberg stelde dus dat het (abstract) muzikale idee op de eerste plaats komt, de concrete uitwerking ervan daarna, afhankelijk van de expressieve context. Dat is de reden dat een motief nooit op dezelfde manier in een compositie verschijnt, maar zich permanent ontwikkelt (als in de doorwerking van de sonatevorm). Als gevolg daarvan is er dus ook geen expositie waarin het thema wordt gepresenteerd, er zijn slechts variaties zonder thema in atonale muziek. De afwezigheid van tonale symmetrie (zoals aanwezig in de sonatevorm) heeft muzikaal proza tot gevolg, waarbij regelmatige zinsbouw in de melodie ontbreekt. De complexiteit van het materiaal en de voortdurend veranderende verschijningsvorm ervan maakt atonale muziek moeilijk te begrijpen.
Schönberg en Webern in Berlijn, 1927
Vorm De geconcentreerde expressie in atonale (expressionistische) muziek had een zekere vormloosheid tot gevolg, die het duidelijkst in het werk van Anton Webern naar voren komt. Zijn composities zijn meestal uiterst kort maar tegelijk uitermate expressief. Het gebruik van een tekst zorgt dan vaak nog voor enige samenhang.
Muziekvoorbeeld: Anton Webern (1883-1945) -Zwei Lieder, opus 8 (1910)
Klankkleurmelodie De subtiele muzikale middelen die werden gebruikt, hadden ook een verhoogde aandacht voor klankkleur tot gevolg. Waar 19e eeuwse componisten een homogene orkestklank probeerden te bereiken, waren moderne componisten uit op een grotere differentiatie van klankkleuren door het gebruik van ongewone instrumenten (zoals celesta, mandoline, harmonium, gitaar) en door kleur als een zelfstandig element te beschouwen in de muzikale structuur. Schönberg speculeerde zelfs over het componeren van klankkleurmelodieën.
Muziekvoorbeeld: Anton Webern (1883-1945) -Fünf Orchesterstücke, opus 10, deel 4 (1913)