Orkestbezetting

In het voorbeeld hieronder zie je hoe in de partituur van een klassiek symfonieorkest de instrumenten groepsgewijs worden genoteerd. Van boven naar beneden staan houtblazers, koperblazers, slagwerk, toegevoegde partijen en tenslotte onderaan de strijkers. Binnen elke groep staan de instrumenten van hoog naar laag onder elkaar.

Houtblazers:
Piccolo, dwarsfluit (2x), hobo (2x), althobo (= Engelse hoorn), klarinet (2x), fagot (2x), contrafagot.

Koperblazers:
Hoorn (2 tot 4), trompet (2x), trombone (2 à 3), tuba
De hoorn is niet het hoogste koperblaasinstrument, toch staat hij in deze groep bovenaan vanwege klankverwantschap met de houtblazers.

Slagwerk:
Pauken (minimaal 2, gestemd in tonica en dominant en tijdens de uitvoering eventueel verstembaar) en overig slagwerk.

Toegevoegde partijen:
Harp, piano, solist(en), koor.

Strijkers:
Eerste violen, tweede violen, altviolen, violoncelli, contrabassen.

De groepering in hout, koper, slagwerk en strijkers is standaard, maar afhankelijk van de compositie kan een orkest ook kleiner of groter zijn.

In de 18e eeuw was het symfonieorkest gemiddeld veel minder uitgebreid dan in de partituur van het voorbeeld hieronder. Een symfonie van Mozart bijvoorbeeld werd door een orkestbezetting van zo’n 20 man uitgevoerd.
In de 19e eeuw werd de standaardbezetting van het symfonieorkest groter. Er kwamen niet alleen meer instrumenten per partij bij (meer strijkers, meer hoorns, meer trompetten etc), maar er kwamen ook meer nieuwe instrumenten bij die voorheen niet tot de standaardbezetting van het orkest hoorden, zoals bv. piccolo, trombone, tuba, harp.