Het orkest in de 20e eeuw.

De tendens naar steeds grotere bezettingen zet zich aanvankelijk voort.: Mahler - 8e symfonie, Strawinsky - Le Sacre clu Printemps, Schönberg - Gurrelieder. Daarna treedt een versobering in, door verschillende oorzaken; ten eerste als reactie op de massieve klank van de grote orkesten - men wil doorzichtiger, polyfoner componeren, en dit vraagt om een kleinere bezetting (Schönberg, Kammersymphonie op. 9 voor 15 solisten); ten tweede maken de oorlogsomstandigheden (1e wereldoorlog 1914 -1918) grote bezettingen vaak te duur

De betekenis van het orkest in de traditionele samenstelling neemt af, hoewel nog steeds voor symfonie-orkest wordt gecomponeerd, zelfs door avantgarde-componisten. Allerlei fantasiebezettingen worden voorgeschreven, zodat een compositie soms alleen al door de bezetting een eigen geluid heeft.

In het traditionele orkest gaan de blazers de strijkers overheersen (Strawinsky, Messiaen). Het slagwerk wordt sterk uitgebreid en krijgt een zelfstandiger behandeling. Later ontstaan zelfs composities voor uitsluitend slaginstrumenten (Varèse 'lonisation'). De belansgtelling voor het slagwerk houdt mede verband met de grote aandacht die componisten hebben voor buiten-europese muziekculturen: sommige instrumenten stammen uit China of Korea, andere uit Afrika, weer andere uit Zuid- en Midden-Amerika. Slaginstrumenten worden in de moderne muziek niet alleen gebruikt als ritme-instrumeneten maar ook (en vooral) om hun klankkleurmogelijkheden.