Het orkest in de 19e eeuw.
Het klassieke orkest ontwikkelde zich geleidelijk tot het Romantische orkest, zoals de Romantische stijl zich ook geleidelijk ontwikkelde uit de klassieke stijl.
De nieuwe stijlrichtichting aan het einde van de 19e eeuw, het impressionisme, bracht geen wezenlijke veranderingen in de samenstelling van het orkest.
Het 19e eeuwse orkest onderscheidt zich van het klassieke door:
1) De intrede van nieuwe instrumenten, die voorheen niet bestonden, of niet als orkestinstrument werden gebruikt:
- piccolo (Beethoven)
- altfluit (Riinsky-Korssakov, Ravel);
- Engelse hoorn (Berlioz);
- Basklarinet (Meyerbeer, Wagner);
- Contrafagot (Beethoven, Strauss);
- Cornet á pistons (Berlioz e.a. Franse componisten, Rossini);
- Harp (dubbelpedaalharp, Meyerbeer en Berlioz) (vaak 2);
- Saxofoon (Bizet);
- Tuba (Berlioz);
2) Vergroting van de bezetting: 3- tot 5-voudig hout (5 fluiten etc), 4,6 of 8 hoorns, 3 of meer trompetten, 3 trombones en tuba; het strijkorkest dat zich tegenover dit geweld moet kunnen handhaven dient uit ca. 60 musici te bestaan, met 16 Ie violen.
De romantische orkestklank wordt verder bepaald door een ander gebruik van de instrumenten: de klankkleur gaat steeds meer aandacht krijgen.
- Melodieën worden soms speciaal voor één instrument gedacht (Berlioz)
- Bijzondere effecten worden verkregen door combinaties van instrumenten, bijv. fluiten en hobo's unisono en in octaven.
- Ook bijzondere speelmanieren worden veel toegepast: pizz., col legno, sourdines bij strijkers; gestopte tonen op hoorns, niet om de toonhoogte te beïnvloeden, maar omwille van het timbre (vooral impressionisme)
- Het koper kan dankzij de toepassing van ventielen ook melodisch worden gebruikt;
- Vooral door de impressionisten (Debussy) wordt de strijkersgroep soms sterk gediviseerd, om nieuwe kleuren en samenklanken te bereiken.