Groepen in de Renaissance
In de tweede helft van de zestiende eeuw begon men voor het eerst aan orkestratie denken. Tot in de kleinste details werden de benodigde instrumenten beschreven. Orlando di Lasso heeft met zijn hoforkest bij het huwelijk van Willem V van Beieren in 1568 aan tafel gespeeld met allerlei verschillende bezettingen. Dit getuigt van een toenemende belangstelling voor kleur; dat wil zeggen voor het contrast en voor de vermenging van klankkleuren, als een belangrijk onderdeel deel van de muziek. Uiteindelijk werd orkestratie belangrijk genoeg om te worden bepaald door de componist; in ca. 1600 bepaalde G. Gabrieli voor het eerst het voor iedere partij vereiste instrument bij het uitschrijven van zijn partituren. Hij maakte hierbij gebruik van afwisseling en contrast (hard en zacht door meer of minder instrumenten).
Maar er was ook veel aandacht voor de instrumenten zelf; bijvoorbeeld een vedel was voor de mensen in de Renaissance meer dan een voorwerp dat geluid kon voortbrengen. Zonder het geluid ervan te horen waren ze onder de indruk van de vorm en van de lak.
De opkomende belangstelling voor klankkleuren veroorzaakte een sterke stimulans voor het vervaardigen van nieuwe instrumenten. Nooit eerder, maar ook later niet, waren er zoveel diverse kleurschakeringen als in de 16e eeuw (bijvoorbeeld de uitgebreide dubbelrietinstrumenten: 10 volledige families). In die tijd werden aan de viool en aan de meeste andere instrumenten haar klassieke vormen gegeven. Ook werden vele instrumenten van die tijd met zorg gevoegd, gedraaid en ingelegd.
In 1582 bezat het Berlijns hoforkest: 24 fluiten, 17 rietpijpen, 9 zinken, 7 orgels, 3 trombones, 7 vedels, 4 spinetten en 1 harp. (85% blaas- en 15% snaarinstrumenten). Er was in die tijd dus een sterke overheersing van blaasinstrumenten.
De nieuwe rijkdom aan muziekinstrumenten en haar toenemende belangrijkheid, dit werd duidelijk rond 1400, mondde uit in uitgaven van populaire boeken over dit onderwerp in het begin van de 16e eeuw.
Claudio Monteverdi schreef de eerste belangrijke opera 'La Favola d'Orfeo' (1607) met een bezetting van een 'echt orkest'. De partituur schreef wel de instrumenten voor, maar niet precies waar en wanneer ze moesten spelen. De bezetting was:
Blaas- en slaginstrumenten
- 5 trompetten en 2 pauken
- 2 blokfluiten
- 2 zinken
- alttrombone
- 3 tenortrombones
- bastrombone
- 2 (kleine) orgels
- 2 regalen
- 2 klavecimbels
- 3 viola da gamba's
- harp
- 3 chitarrones
- ceterone (=bascister)
- contrabas
- 2 soloviolen
- daarnaast 2 maal eerste, 2 maal tweede violen (dus totaal 6 violen)
- 4 altviolen
- 2 violoncello's
- 1 contrabas
In de 16e eeuw bestond er nog steeds een hechte relatie is tussen vokale en instrumentale muziek. Maar er was sprake van
een nieuwe tendens: componisten beginnen te denken vanuit een instrument, de zelfstandige instrumentale muziek wordt geboren.
Geliefde instrumenten voor componisten waren: orgel, clavecimbel en luit.
Verder wordt er geschreven voor ensembles, vaak samengesteld uit instrumenten uit 1 familie (blokfluitensemble,
gambakwartet) of combinaties van families (ensemble bestaande uit blokfluiten en gamba’s). Instrumenten worden in ‘koren’ gebouwd: sopraan, alt, tenor, bas.