| Vormgeving in polyfone composities |
De 16e eeuw is bij uitstek een periode waarin veel polyfone muziek werd gecomponeerd. Denk maar aan de religieuze Renaissancemuziek van componisten als Di Lasso en Palestrina. Twee vragen:
Wat de tweede vraag betreft, twee technieken staan centraal. 1. Cantus firmus Een cantus firmus is een gegeven melodie, die de componist ontleent aan het bestaande éen- of meerstemmige repertoire, dan wel zelf eerst componeert. Meestal wordt de cantus firmus gezongen door de tenor (=houder), veelal in lange notenwaarden, waartegen tegen-melodieën (contrapunstemmen) klinken. Voorbeeld 1 ![]() De onderstem laat een Gregoriaanse melodie horen in lange notenwaarden. Daarboven 2 beweeglijke stemmen: een middenstem die af en toe de inzetten van de bovenstem overneemt en omgekeerd. De melodie in de onderstem zorgt voor samenhang. Een ander voorbeeld waarin de cantus firmus soms ook van plaat verwisseld en bv. in het begin door de bovenstem wordt gezongen. Voorbeeld 2 ![]() Een voorbeeld van een koraalpartita. In Partita I klinkt de melodie (zo je wilt het thema) in de bovenstem. In elke volgende Partita is de melodie aanwezig en wordt gevarieerd. Deze barokke partita toont eveneens de cantus firmus techniek uit de Renaissance. Rond 1900 werden veel koraalfantasieën gecomponeerd: vrije stukken waarin kerkelijke melodieën uitgangspunt waren. Aan het begin van de 20e eeuw werd teruggegrepen op allerlei barokke genres (o.i.v. neoclassicisme en de herwaardering van de lutherse kerkmuziek) waaronder de koraalfantasie, de partita, de passacaglia (met zijn steeds aanwezig ostinate thema): een antwoord op de Romantiek. 2. Imitatie Imitatie is het verschijnsel dat een melodisch gegeven, na door de ene stem te zijn ingezet, korte tijd later door een andere stem wordt herhaald (al dan niet in gewijzigde vorm). Al vroeg namen partijen incidenteel muzikale motieven (en bijbehorende tekst) van elkaar over, maar het waren de componisten uit de Nederlandse school (o.a. Dufay, Ockeghem, Obrecht en Desprez) die in de 15e eeuw een groot arsenaal aan imitatieprocéde's ontwikkelden en in hun werken toepasten - procédés die in de volgende eeuwen een belangrijke plaats in de standaarduitrusting van de componist zouden blijven innemen. De melodie die geïmiteerd wordt, kan gebaseerd zijn op het bestaande melodiegoed (bv. Gregoriaans), maar kan ook ontsproten zijn aan de brein van de componist. Interessant is dat de imitatietechniek zelf een bron van varietas, van afwisseling is: de volgende elementen van een melodisch gegeven kunnen worden veranderd:
![]()
|


